wanhoop

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɑnhop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
    Uit pure wanhoop sneed hij zich de polsen door.
    Mijn wanhoop loopt zelfs zo hoog op dat ik begin te fantaseren over een schandaal of een ongeluk - naakt gaan shoppen in De Bijenkorf of onder een tram lopen - om de aandacht weer op mezelf te vestigen.
    Maar het kan ook voelen alsof de moderne tijd ons steeds dieper in hebzucht, wanhoop en opwinding dompelt.

Etymologie

*van Middelnederlands "wanhope", op te vatten als

Uitdrukkingen

  • met de moed der wanhoopde durf die men heeft in een verhing noodsituatie

Vertalingen

Engelsdespair
Fransdésespoir
DuitsVerzweiflung
Spaansdesesperación