warenhuis

onzijdig (het)/ˈwarə(n)ˌhœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel (handel) een grote winkel, vaak met meerdere verdiepingen, die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
    Een voorbeeld van een warenhuis is de Bijenkorf.
    De warenhuizen van V&D waren al jaren verlieslijdend. In het laatste niet afgeronde boekjaar, van februari tot en met november vorig jaar, dook de keten bijna 49 miljoen euro in de rode cijfers. Restaurantketen La Place maakte wel winst, met een bedrijfsresultaat van dik 1 miljoen euro, blijkt uit het verslag. Tubantia 09-03-16, [https://www.tubantia.nl/economie/schuldenberg-venamp-d-zeker-100-miljoen-euro~ab615be7/ Schuldenberg V&D zeker 100 miljoen euro]
    De centrale ligging zou heel goed geschikt zijn voor een nieuw warenhuis.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grootwinkelbedrijf’ voor het eerst aangetroffen in 1906

Vertalingen

Engelsdepartment store
Spaansalmacén