wedervoeren

/ˈwedərˌvurə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. verouderd (verouderd) brengen naar de plaats van herkomst
    Zij belijdt integendeel, dat de wetenschappen, uitgaande van God, goed beoefend en met behulp der genade, tot God wedervoeren.
  2. verouderd (verouderd) antwoorden
    ‘Dat kan niet bestaan’, wedervoeren de geletterden in koor (...)
  3. verouderd meervoud verleden tijd van (verouderd) wedervaren
    Men zou bijna kunnen zeggen dat alle persoonlijke tragische levenservaringen, welke hem wedervoeren, in zekere mate terug zijn te brengen op dien aanleg en dat karakter.

Etymologie

*[1],[2]