wenkbrauw

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɛŋɡbrɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
    De wenkbrauwen fronsen.

Etymologie

*Van het Middelnederlandse wintbraeuwe, waarbij het eerste deel is beïnvloed door wenken. Etymologisch verwant met Oudsaksisch wintbrâwia, Oudhoogduits wintbrâwa en wimper.

Uitdrukkingen

  • de wenkbrauwen optrekkenteken dat men iets niet helemaal begrijpt of vertrouwt

Vertalingen

Engelseyebrow
Franssourcil
DuitsAugenbraue
Spaansceja
Russischбровь
Turkskaş
Poolsbrew
Deensøjenbryn