wetstaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɛts'tal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch, taalkunde (juridisch), (taalkunde) het idioom waarin de wetten zijn geschreven
    De vorige week voorgestelde afkoopregeling tussen de tabaksindustrie en de overheid biedt, als de vaak wollige bewoordingen worden omgezet in federale wetstaal, een reële hoop dat er eindelijk paal en perk zal worden gesteld aan het schandelijke gedrag van de sigarettenfabrikanten, waaraan de natie als geheel al te lang medeplichtig is geweest. NRC Richard KlugerAmerica'S Hundred-Year Cigarette War'Auteur van het Boek 'Ashes To Ashes 24 juni 1997 [https://www.nrc.nl/nieuws/1997/06/24/een-gevoelige-tik-voor-de-tabaksindustrie-7358164-a1329215 Een gevoelige tik voor de tabaksindustrie]
    In de Nederlandse taal vallen drie lagen te onderscheiden, aldus Van der Meiden. „De eerste laag is plechtig: de taal van Hare Majesteit de Koningin, de wetstaal, de sacrale taal van de Bijbel. Vervolgens is er de burgerlijke laag: de taal van de krant en het journaal. De onderste laag is die van de grappen, de „boerenplatlol.” Reformatorisch Dagblad 27-02-2002 [https://www.rd.nl/kerk-religie/sacrale-taal-bijbel-niet-in-grondtekst-1.267 „Sacrale taal Bijbel niet in grondtekst”]
zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een ronde staaf fijn geribbeld staal met een handvat, waaraan een mes of schaar kan worden geslepen
    Je kunt het mes aan een wetstaal aftrekken.

Vertalingen

Engelssteel