weven
/ˈwevə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (kleding) (textiel) een weefsel vervaardigen door lengte- en dwarsdraden in elkaar rechthoekig te vlechten
- schrijfwijze voor weiven ‘heen en weer bewegen, zwaaien’
Etymologie
*[1] (erfwoord): Middelnederlands wēven (sterk klasse 5), ontwikkeld uit Oergermaans *weban-, bij Indo-Europees *u̯ebʰ- ‘weven, vlechten’, waartoe ook behoren Tochaars A wäp- ~ B wāp- ‘weven’, Albanees vej ‘ik weef’, Oudgrieks hyphaínein ‘weven’ en Perzisch bāftan ‘weven’. Evenals Nederduits weven, Duits weben en Fries weve, weevje.
Vertalingen
Engelsweave
Franstisser
Duitsweben
Spaanstejer
Italiaanstessere
Poolstkać
Zweedsväva
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek