wiens

/xxxx/

Betekenis

voornaamwoord
  1. (m), (n) van wie: van wie, waarvan
    Wiens auto is dat?
voornaamwoord
  1. (m), (n) van wie
    Ik zal de medewerker wiens artikel dit is om opheldering vragen.
    ’Als je buiten bent, maakt het niet uit wiens afval het is.’ Gedurende de vijf maanden onderweg hadden de mannen meer dan 500 kilo uit de wildernis verwijderd.
    Candida was de weduwe van een welgedane, joviale man uit Biarritz wiens foto in bijna alle kamers van het appartement troonde.