wierook

mannelijk (de)/ˈʋiː.roːk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een mengsel van aromatische organische stoffen, dat aangestoken kan worden en dan een als aangenaam beoordeelde geur verspreidt, oorspronkelijk met name de hars (olibanum) van de wierookboom Boswellia

Etymologie

* Middelnederlands wijrooc, wi(e)rooc, uit Oudnederlands wīrōk, eigenlijk ‘gewijde rook’, samenstelling uit wīh ‘heilig’ (zoals in wijwater e.d.) en rōk ‘rook’. Evenzo gevormd zijn Nederduits Wiehrook, Duits Weihrauch en Fries wijreek.

Vertalingen

Engelsincense
Fransencens
DuitsWeihrauch
Spaansincienso
Italiaansincenso
Russischладан
Chinees
Japans線香
Koreaans
Poolskadzidło
Zweedsrökelse