wijk

mannelijk/vrouwelijk (de)/wɛik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) een bewoond deel van een stad of een gemeente
  2. waterbeheer (waterbeheer) een watergang

Etymologie

*Van Latijn vicus. In de betekenis van ‘stadsdeel’ voor het eerst aangetroffen in 855

Uitdrukkingen

  • De wijk nemenErvandoor gaan

Vertalingen

Engelsborough, quarter
Fransquartier
DuitsBezirk, Ortsteil, Stadtteil
Spaansbarrio
Zweedsstadsdel