wijnbouwer

mannelijk (de)/ˈwɛimbɑuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die druiven teelt om wijn van te maken
    Bierland België staat niet bekend om zijn wijn. Toch is Houben niet de enige professionele wijnbouwer in het land. In de Middeleeuwen werd al volop wijn gemaakt in België.
    Het consumentenprogramma Kassa besteedde in september aandacht aan Hollandse wijnen en hield een wijntest: drie experts proefden twee soorten, gemaakt door vijf Nederlandse wijnbouwers.

Etymologie

*afgeleid van "wijnbouw"