wildstroper

mannelijk (de)/ˈwɪltstropər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. misdadiger die zonder vergunning op wilde dieren jaagt
    Nauwelijks vijf maanden later, op 9 januari 1956, meldt Mollerus trots dat "de wildstroperij reeds grotendeels is beteugeld". Stropers die voorheen "vrijwel ongestoord hun luguber bedrijf konden uitoefenen" zijn daarmee opgehouden. Maar de districtscommandant waarschuwt dat "meerdere wildstropers reeds te kennen hebben gegeven, dat zij met hun stroperijen wachten totdat het detachement zal zijn opgeheven". NRC F. Vermeulen 22 augustus 1992 [https://www.nrc.nl/nieuws/1992/08/22/de-laatste-nachten-van-de-vliegende-brigades-7153734-a591685 De laatste nachten van de vliegende brigades]
    Interpol heeft bovendien heel wat informatie verzameld, waardoor contacten tussen wildstropers en internationale netwerken in kaart kunnen worden gebracht. "Door hun internationale transportwegen te identificeren en belangrijke tussenpersonen te arresteren, zijn we erin geslaagd een belangrijke bijdrage te leveren aan de instandhouding van de biodiversiteit", aldus nog Higgins. De Standaard 19 juni 2012 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20120619_194 Meer dan 200 ivoorsmokkelaars gearresteerd bij internationale actie van Interpol]

Vertalingen

Engelspoacher, raider