Wilg
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een geslacht van tweehuizige bomen en struiken uit de wilgenfamilie (). Wilgen zijn bladverliezende bomen met verspreide bladstand. De knop heeft één knopschub. De bloeiwijze van de wilg heeft de vorm van een katje en groeit uit de zijknoppen van een eenjarige twijg. De wilgenkatjes zitten of staan, dit in tegenstelling tot de hangende katjes bij populieren. De bomen doen het in drasse gebieden goedDie wilgen kunnen beter geknot worden, anders waaien ze maar om.
Etymologie
* In de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Uitdrukkingen
- iets aan de wilgen hangen = ermee stoppen. Bvb: De chirurg hing zijn scalpel aan de wilgen. (Hij oefent het beroep niet meer uit.)
Vertalingen
Engelswillow
Franssaule
DuitsWeide
Spaanssauce
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek