winkeldag

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dag dat de winkels open zijn; een dag dat men kan winkelen
    De zondag wordt in Nederland steeds meer een gewone winkeldag.
    Aan onze uitgaven tijdens de feestdagen is het niet te merken, de crisis. Vandaag, de laatste winkeldag voor Kerst, is er maar liefst 11,4 miljoen keer gepind. Een record. Die kerstdrukte begon vanmorgen vroeg al, bijvoorbeeld bij de slager.