winkella

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɪŋkəˌla/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. la waarin men het geld bergt in een winkel
    Maandagavond omstreeks half zeven, kwam de slager L. aan de Gozewijnstraat te Valkenburg tot de minder aangename ontdekking, dat een flink geldbedrag uit de winkella verdwenen was. In een onbewaakt ogenblik heeft een langvingerige blijkbaar van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn slag te slaan.