winst

vrouwelijk (de)/ʋɪnst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) het verschil tussen de verkoopsprijs en alle kosten die men heeft gemaakt
    Mijn middelste dochter en ik shopten vaak in de stad en struinden kringloopwinkels af en ze begon vervolgens een klein handeltje door de daar gekochte merkkleding met winst door te verkopen.

Etymologie

* van winnen

Uitdrukkingen

  • Winst opleveren
  • Tel uit je winstHet is een strop [2] geworden, het heeft niks van meerwaarde opgeleverd

Vertalingen

Engelsprofit, benefit, gain
Fransbénéfice
DuitsGewinn
Spaansbeneficio, ganancia, provecho