wolk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwɔlᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
    Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.
    We hadden enorm veel geluk omdat er die avond een volle maan scheen en er geen wolkje aan de lucht was.
  2. in de ruimte begrensde hoeveelheid (zichtbare) stoom, rook of damp
    Toen ik hem opendeed, stikte ik bijna in de wolk kamfer die eruit opsteeg.
    ' Olive leunde achterover in de schommelstoel en blies een wolk blauwe rook uit.
  3. figuurlijk (figuurlijk) in een ~ van: toonbeeld van blakende gezondheid (tegenwoordig m.n. gezegd van borelingen)

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "wolke" en Oudnederlands "wulko" / "wulkon", in de betekenis van ‘massa waterdruppels in atmosfeer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 Ontwikkeld uit (West-)Germaans *wulkan-, *wulko-, verwant aan "Wolke", ( "wolcan"), "wolcen", "wolken" en "wolkan".

Uitdrukkingen

  • Er was geen wolkje aan de luchtEr was geen enkele aanwijzing dat er iets ernstigs zou kunnen gebeuren
  • Achter de wolken schijnt de zonEen vervelende situatie heeft ook altijd wel iets goeds in zich/is maar tijdelijk
  • Op een roze wolk zijn, zittenzeer gelukkig of verliefd zijn.
  • Een jongen als een wolkStoett-2603 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelscloud
Fransnuage
DuitsWolke
Spaansnube
Italiaansnuvola, nube
Portugeesnuvem
Chinees雲, 云
Japans雲, くも
Arabischسحابة, غيمة
Turksbulut
Poolschmura, obłok
Zweedsmoln