wonderlijkheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets vreemds, iets raars
    Nog een afwijking is bij haar geconstateerd, n.l. het bestaan van anders gevormde bloemen en wel regelmatige bloemen, òf zonder spoor, òf met vijf sporen, aan dezelfde planten met de gewone bloemen. Linnaeus reeds ontdekte in 1742 deze monsterachtigheid of wonderlijkheid, die hij pelorie noemde, bij een Vlasbek in de buurt van Upsala en sedert wordt zij telkens opgemerkt. Plantenschat van F.J. van Uildriks en Vitus Bruinsma [https://nl.wikisource.org/wiki/Plantenschat/144 Vlasbek.—Linaria vulgaris.]
  2. de mate waarin iets raar, vreemd of bijzonder is

Etymologie

* afleiding van wonderlijk