woonkeuken
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwonkøkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ruimte die zowel als keuken als woonkamer dientEr is een A3-tje op de niendeure geplakt: BEL. Maar geluid komt er niet uit. "Misschien zijn de batterijen leeg", zegt de bewoner als hij door een klusjesman is opgetrommeld. De vlotte 50'er gaat voor naar een ruime, hoge woonkeuken. Hij stelt zijn vrouw voor. Beschaafd volk. Tubantia Bert Janssen 24-03-17 [https://www.tubantia.nl/hof-van-twente/verklappen-annekims-ouders-uit-markvelde-iets-over-bzv~a7226749/ Verklappen Annekims ouders uit Markvelde iets over BZV?]Zij bouwen een woonkeuken aan het huis, verwijderen ongevraagd de gezamenlijke schutting en korten de overhangende beukenkroon zomaar in. En dan ook nog die voliére met krijsende vogels in de tuin: Gijs en Marjan worden er gek van. Tubantia 06-06-17 [https://www.tubantia.nl/algemeen/krijsende-vogels-van-nieuwe-buren-verpesten-woongenot~a0a7851a/ Krijsende vogels van nieuwe buren verpesten woongenot]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek