woonplek

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwomplɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plaats waar men kan wonen
    Aan de sluiting van verzorgingshuizen worden twaalf regels besteed, maar daarin wordt het verdwijnen van deze voorziening uitsluitend beschreven als een (kwantitatief) verlies van woonplekken. Terwijl de formule van deze woon-zorgvoorziening juist uniek was: geen scheiding van wonen en zorg, maar juist integratie daarvan.