wroeter

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een harde werker
    Toch kwamen de hoofdpersonen voor zijn boeken tot het eind van zijn leven uit het gewone volk. Zijn hart lag bij de wroeter, de zeebonk, de oliestoker. Zonder uitzondering rechtschapen, ondernemend en gelovig. Stoere christenstrijders, voorwaarts trekkend met de vaste overtuiging: ”Al zweept de storm ons voort, wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord.” Reformatorisch Dagblad Huib de Vries 22-05-2003 [https://www.rd.nl/boeken/mannen-van-stavast-1.179339 Mannen van stavast]
  2. een zeer bewegelijk persoon
    Die van mij zijn vijf en drie, en ik vind het fantastisch om voor ik in bed kruip nog eens te gaan kijken. De ene is een wroeter, de andere ligt een hele nacht in dezelfde positie, en het is voor mij een onbetaalbaar moment van vaderschap om hun stille adem te horen en te beseffen dat ik hen heb gemaakt. De Standaard 13 JUNI 2015 Door Kelly Deriemaeker, [http://www.standaard.be/cnt/dmf20150608_01720569 Doodgewone dingen]
  3. iemand die iets grondig bestudeert
    Romantische wroeters en zoekers kunnen nog altijd hun hart ophalen aan de poëzie van Piet Paaltjens (pseudoniem van François Haverschmidt, 1835-1894). Dit jaar is het precies 150 jaar geleden dat Snikken en grimlachjes verscheen, Paaltjens’ beroemdste bundel. De Standaard VRIJDAG 27 JANUARI 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170126_02697346 Grimlachjes en tekeningen]
  4. iemand die de grond omwoelt
    Elke is er klaar voor, ‘den hof’ ook, nu nog een ervaren wroeter vinden. ‘Het lijkt me fijn om kennis te delen en af en toe met je handen in de aarde te zitten – ik word daar heel rustig van. En geef toe: het is leuk om nieuwe mensen te leren kennen in je eigen tuin.’ De Standaard 10 MAART 2016 vsa [http://www.standaard.be/cnt/dmf20160309_02174511 ‘Een tuin vol nieuwe mensen’]

Etymologie

* van wroeten