Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

zaadbak

mannelijk (de)/ˈzadbΙ‘k/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meestal als verkleinwoord zaadbakje: stevige, holle houder voor vogelvoer met een open kant waardoor een vogel of een ander dier eruit kan eten
    De eerste dagen scheen het beest niet te willen tieren. Het fladderde schichtig rond, sloeg zijn kop en vleugels tegen de tralies, spatte al zijn water weg en smeet de zaadbak om.
  2. figuurlijk, verouderd, straattaal (figuurlijk) (verouderd) (straattaal) (Leiden) vooruitstekende onderkin
  3. voorraaddoos bestemd voor zaaigoed of vogelvoer
    Snel greep hij naar den zaadbak, opende 't venster en strooide 't zaad buiten in de vensterbank.
  4. figuurlijk, vulgair (figuurlijk) (vulgair) scrotum
    Trek af, sjeneer {{sic!|geneer
  5. landbouw (landbouw) onderdeel van een zaaimachine dat het te verspreiden zaaigoed bevat
    Een trommelzaaier heeft een trommel, die ronddraait. In de trommel zitten gaatjes. De trommel draait langs een zaadbak en pikt de zaadjes daaruit op door het vacuΓΌm in de trommel. Op de plaats van bestemming schraapt een plaat de zaadjes van de trommel waarna deze op de zaaigrond vallen.
  6. tuinieren (tuinieren) platte doos die aarde bevat waarin zaadjes kunnen ontkiemen zodat ze beschut kunnen opgroeien voordat ze worden overgeplant naar een plaats waar meer ruimte is om uit te groeien
    Voeg een laag aarde van ongeveer 10 cm toe aan de zaadbak.
  7. figuurlijk, vulgair (figuurlijk) (vulgair) vagina

Etymologie

*[1.2] vermoedelijk als vergelijking met het voerbakje dat bij sommige vogelkooien onderaan de voorzijde uitsteekt [https://pure.knaw.nl/portal/files/480826/1999_Kruijsen_en_Van_der_Sijs_100_jr_stadstaal.pdf "Het Leidse stadsdialect: het noordelijkste Vlaams?" in: Honderd jaar stadstaal (1999) Uitgeverij Contact, Amsterdam / Antwerpen]; ; p. 152, onder "klus"; geraadpleegd 2018-11-29