zaailing
mannelijk (de)/ˈzajlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant, waarin de eerste blaadjes verschijnenBij de opkweek van bosbomen wordt ook gebruikt gemaakt van zaailingen.Ik wied, ik volg mijn diepste wetals ik de naakte zaailing zet;ik richt mij op, ik buig mij neer.Een tuinman ben ik en niets meer.
- (landbouw) vrouwelijke, zaaddragende plant van hennep of vlasDeze benaming houdt vooral verband met de hennepteelt voor vezels, omdat de vrouwelijke planten voor dat doel later werden geoogst.Ook de tegenstelling tussen de geslachtsbenamingen zaailing (‘zaaddragend’) en gelling (‘onvruchtbaar’ dus ‘niet-zaaddragend’) berust derhalve op een logisch benoemingsprincipe.
- (medisch) gezwel dat is ontstaan door kwaadaardige cellen die zich vanuit een oorspronkelijk gezwel door het lichaam hebben verplaatstEr is eerder sprake van een multifocaal ontstaan dan van een "zaailing" of metastase.
Etymologie
**[2] mogelijk onder invloed van zaadling
Vertalingen
DuitsSämling
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek