zaal
mannelijk/vrouwelijk (de)/zal/
Wat is de betekenis van zaal?
zaal betekent: (bouwkunde) een grote ruimte in een gebouw
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een grote ruimte in een gebouw
- het publiek in een grote ruimte
Voorbeelden van "zaal" in een zin
- De zaal werd geopend voor het publiek.
- Onverstoorbaar nam hij een dienblad van de bar, waarna hij begon aan een rondgang door de zaal.
- Ze probeert zich een voorstelling te maken van de zaal van de zilversmeden, een vertrek vol waterig licht, borden als enorme munten, de gasten gereflecteerd in elk oppervlak.
- De band kreeg de zaal helemaal plat.
- De hele zaal stond op de banken tijdens zijn performance.
Etymologie
* In de betekenis van ‘groot vertrek’ voor het eerst aangetroffen in 639
Vertalingen
Engelslounge, parlour, salon
Spaansgran sala, local, sala
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek