zaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/zal/

Wat is de betekenis van zaal?

zaal betekent: (bouwkunde) een grote ruimte in een gebouw

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een grote ruimte in een gebouw
  2. het publiek in een grote ruimte

Voorbeelden van "zaal" in een zin

  • De zaal werd geopend voor het publiek.
  • Onverstoorbaar nam hij een dienblad van de bar, waarna hij begon aan een rondgang door de zaal.
  • Ze probeert zich een voorstelling te maken van de zaal van de zilversmeden, een vertrek vol waterig licht, borden als enorme munten, de gasten gereflecteerd in elk oppervlak.
  • De band kreeg de zaal helemaal plat.
  • De hele zaal stond op de banken tijdens zijn performance.

Betekenis en uitleg van zaal

Een zaal is een grote, vaak afgesloten ruimte die bedoeld is voor het samenkomen van mensen, zoals bij evenementen, bijeenkomsten of voorstellingen. Denk aan een concertzaal of een vergaderzaal waar mensen samenkomen om te luisteren, te leren of te genieten van een optreden.

Het woord 'zaal' wordt vaak gebruikt in contexten waar groepsactiviteiten plaatsvinden, zoals theaters, sporthallen of klaslokalen. De nuance van het woord kan variëren afhankelijk van de functie van de ruimte; bijvoorbeeld een 'feestzaal' roept een andere sfeer op dan een 'conferentiezaal'. Het gebruik van 'zaal' impliceert ook vaak een zekere formaliteit of een georganiseerde setting.

Voorbeelden

  • De zaal was vol met enthousiaste fans die op het concert wachtten.
  • In de grote vergaderzaal werden belangrijke besluiten genomen door het bestuur.
  • Tijdens het jaarlijks gala werd de feestzaal prachtig versierd met bloemen en lichten.

Woordoorsprong

Het woord 'zaal' is afgeleid van het Middelnederlandse 'sale', wat een grote ruimte of hal betekent. Het is verwant aan het Oudhoogduitse 'sala', dat ook een vergelijkbare betekenis heeft.

Veelgestelde vragen over zaal

Wat is de betekenis van zaal?

zaal betekent: (bouwkunde) een grote ruimte in een gebouw

Hoeveel betekenissen heeft zaal?

zaal heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft zaal?

zaal is een mannelijk/vrouwelijk (de).

Hoe gebruik je zaal in een zin?

Voorbeeld: “De zaal werd geopend voor het publiek.

Etymologie

* In de betekenis van ‘groot vertrek’ voor het eerst aangetroffen in 639

Vertalingen

Engelslounge, parlour, salon
Spaansgran sala, local, sala