zakken

/ˈzɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) naar beneden gaan
    Gelukkig zakte het waterpeil voor de dijk door kon breken.
    Ze liet haar schouders zakken, en ik wachtte tot ze met een onthulling zou komen, tot ze de waarheid zou prijsgeven die al in haar lag te sudderen vanaf het moment dat ze Lawries schilderij in de hal van het Skelton had gezien.
  2. erga (erga) niet slagen voor een examen
    Ik ben weer gezakt voor mijn rijexamen.
  3. in elkaar zakken: dood, zwaargewond of door een flauwte op de grond vallen
    Te meer daar Péricourt, die vlak vóór hem rende, door een kogel werd neergemaaid en min of meer rechtstandig in elkaar zakte, zodat Albert alleen maar over hem heen kon springen. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

**[4] in de betekenis van 'in de maag doen zakken', 'verzwelgen' aangetroffen vanaf 1486

Uitdrukkingen

  • door de grond zakken van schaamtezich heel erg schamen
  • niets in de handen, niets in de zakken

Vertalingen

Engelsdescend, go down, fail
Duitssinken, untergehen, versinken
Spaansbajar, suspender
Poolsoblewać