zakken
/ˈzɑkə(n)/
Wat is de betekenis van zakken?
zakken betekent: (erga) naar beneden gaan
Betekenis
werkwoord
- (erga) naar beneden gaan
- (erga) niet slagen voor een examen
- in elkaar zakken: dood, zwaargewond of door een flauwte op de grond vallen
Voorbeelden van "zakken" in een zin
- Gelukkig zakte het waterpeil voor de dijk door kon breken.
- Ze liet haar schouders zakken, en ik wachtte tot ze met een onthulling zou komen, tot ze de waarheid zou prijsgeven die al in haar lag te sudderen vanaf het moment dat ze Lawries schilderij in de hal van het Skelton had gezien.
- Ik ben weer gezakt voor mijn rijexamen.
- Te meer daar Péricourt, die vlak vóór hem rende, door een kogel werd neergemaaid en min of meer rechtstandig in elkaar zakte, zodat Albert alleen maar over hem heen kon springen. {{Aut|Lemaitre, Pierre
Etymologie
**[4] in de betekenis van 'in de maag doen zakken', 'verzwelgen' aangetroffen vanaf 1486
Uitdrukkingen
- door de grond zakken van schaamte — zich heel erg schamen
- niets in de handen, niets in de zakken
Vertalingen
Engelsdescend, go down, fail
Duitssinken, untergehen, versinken
Spaansbajar, suspender
Poolsoblewać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek