zebra

mannelijk (de)/ˈzebra/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onevenhoevigen (onevenhoevigen) snel, paardachtig kuddedier van de Afrikaanse steppen, gekenmerkt door zijn witte of lichtgele huid met zwarte of donkerbruine strepen, opstaande manen, tamelijk lange oren en zijn niet tot de wortel behaarde staart
  2. verkeer (verkeer) voetgangersoversteekplaats met witte strepen op de rijbaan
    Bij de zebra steken we over.

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘oversteekplaats’ aangetroffen vanaf 1955.

Vertalingen

Engelszebra
Franszèbre
DuitsZebra
Spaanscebra
Italiaanszebra
Portugeeszebra
Turkszebra
Poolszebra
Zweedssebra