Zeil

onzijdig (het)/zɛil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) doek dat in een mast gehesen is om wind te vangen en die het schip voortbeweegt
  2. scheepvaart (scheepvaart) het geheel van alle zeilen van een schip
  3. vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag (zoals linoleum)
  4. doek voor diverse doeleinden (afdekken)
    Hij vertelde me dat hij ooit vijf dagen volledig afgezonderd in de Australische outback was gedropt met niet meer dan een stuk zeil, wat eten en drinken en een bijbel.

Etymologie

*van Middelnederlands "seil" dat net als Middelnederlands "segel" (voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240) teruggaat op Oudnederlands "segil"

Uitdrukkingen

  • alle zeilen bijzetten
  • [[een oogje in het zeil houden
  • met volle zeilen
  • met de zeilen voor de mast liggen
  • met de zeilen voor de mast (op)wachten
  • met een nat zeil thuis komen
  • met opgestoken zeilen
  • onder zeil

Vertalingen

Engelssail, sail, linoleum
Fransvoile, voilure, linoléum
DuitsSegel, Segelwerk, Linoleum
Spaansvela
Italiaansvela
Portugeesvela
Koreaans
Poolsżagiel
Zweedssegel
Deenssejl