zelfbedieningszaak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɛlᵊvbəˌdinɪŋˌsak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. winkel waar de klanten zelf (zonder hulp van een verkoper) de door hen gewenste producten verzamelen en daarna afrekenen
    Men spreekt wel van een golfbeweging. Albert Heijn, die al in 1952 zijn eerste zelfbedieningszaak opende en nog een half jaar geleden in Tilburg een supergestroomlijnde hypermarkt lanceerde, exploiteert sinds vandaag een levensmiddelenwinkel waar zeker driekwart van de spullen niet langs de onsympathieke weg van de zelfbediening, maar door een mens achter een toonbank — nu ja, counter — wordt verkocht.