zemel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzeməl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) huls en kiem van een graankorrel die bij het malen daarvan worden afgescheiden en fijngemaaktGranen bestaan uit zetmeel met daaromheen een vliesje, de zemel, en een kiem met voedingsstoffen.
- (figuurlijk) iets of iemand die minderwaardig wordt gevondenJuffrouw Van Toossen was een dom stuk zemel.
zelfstandig naamwoord
- iemand die veel klaagt of praat over onbelangrijke dingenHet is en blijft hier op aarde een gebroken kerk, met ruzies en conflicten. (…) Vooral als er narigheid in de gemeente is. Dat moet Spurgeon toch ook wel 's gehad hebben, dat hij tegen zijn vrouw zei: „Daar heb je die zemel alweer aan de deur."
Etymologie
*[B] afgeleid van "zemelen" zonder de achtervoegsel -en, mogelijk onder invloed van [A]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek