zendbrief

mannelijk (de)/ˈzɛndbrif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. brief van een apostel of een geestelijke aan de gelovigen
    In september 1911 vierde katholiek Nederland de twintigste verjaardag van Rerum novarum, de encycliek van paus Leo XIII. Deze pauselijke zendbrief riep werkgevers en staatslieden op de spaarzin van arbeiders aan te wakkeren. Tijdens een 'Katholiek-sociale week' bewierookte menig politicus van katholieken huize Leo's breve uitbundig. Vast onderdeel van de feestredes was het thema 'arbeiders en hun vermogen/bereidwilligheid om te sparen'. De Telegraaf 14 mrt. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1126589/spaarzaam-of-financieel-lichtzinnig Spaarzaam of financieel lichtzinnig]
    De brieven van Paulus zijn geen gemakkelijke kost. Dat schrijft zelfs Petrus in zijn tweede zendbrief. Dr. Joop Smit probeert de apostel en zijn brieven in zijn boek ”Wat Paulus bezielde” te doorgronden. Reformatorisch Dagblad 30-11-2018 [https://www.rd.nl/kerk-religie/paulus-brieven-moet-je-lezen-met-je-oren-1.1531217 „Paulus’ brieven moet je lezen met je oren”]

Vertalingen

Engelsletter, epistle
Fransépître, épitre