zeperd

mannelijk (de)/ˈzepərt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tegenslag of mislukking, gewoonlijk in financieel opzicht, strop, nadeel, soms door bedrog
    Dat leverde hem een zeperd van meer dan een miljoen.
  2. flater, afgang
    Hij maakte een zeperd op de dansvloer en viel weinig gracieus op zijn snufferd.

Etymologie

* van zepen