zestig

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsɛstəx/

Betekenis

telwoord
  1. "60", het getal tussen negenenvijftig en eenenzestig, zes maal tien
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen zestig euro en zevenendertig cent.
    Ik ben vandaag zestig jaar oud geworden.
  3. om een leeftijd aan te geven
    Pamela vertelde me dat hij in de zestig was en een kort lontje had.
    Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.
  4. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave zestig is "42".
zelfstandig naamwoord
  1. dat wat in een (rang)ordening met 60 is aangeduid
    Het is weer de zestig die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Haar eenenzestigste verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de zestig eenmaal voorbij was.
  2. groep van 60 eenheden
    De zestig zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "sestich" van Oudnederlands "sestig", als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100; afgeleid van "zes"

Vertalingen

Engelssixty
Franssoixante
Duitssechzig
Spaanssesenta
Italiaanssessanta
Portugeessessenta
Russischшестьдесят
Turksaltmış
Poolssześćdziesiąt
Zweedssextio
Deenstres