zetgang
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zware plank die in de lengte richting van een schip loopt aan de binnenkant van de rompzetgang, z.n.m. – 1°. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet. 2°. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek