zetlijn

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lijn waaraan de haken zitten waarmee de (paling)visser vist
    Behalve met de genoemde soorten van netten wordt er ook op andere wijze gevischt door menschen die geen beroepsvisschers zijn. In de Beneden-Saramacca en ook wel in andere rivieren ziet men dikwijls stokken in den modder steken, waarboven een flesch of stoop is bevestigd; daarbinnen hangt een spijker aan een draad; aan den stok is een zetlijn gebonden. Komt er een visch aan de lijn, dan wordt de visscher in zijn huisje door het tingelen van den spijker tegen den fleschwand gewaarschuwd. Zoodoende behoeft hij niet voortdurend op de zetlijn te letten. Tubantia (1914-1917)–Herman Daniël Benjamins, Joh. F. Snelleman [https://www.dbnl.org/tekst/benj004ency01_01/benj004ency01_01_0025.php Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië]
  2. metalen reep waarop men de letters zet met een zethaak