Zetten
/ˈzɛtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) op een bepaalde wijze schikken, geplaatstZe reageerden alsof ik halverwege de wedstrijd een derde doel in het veld had gezet.
- (ov) (m.b.t. koffie of thee) bereiden, klaarmaken
- (ov) iets neerschrijvenHij zette zijn handtekening onder het document.
- (ov) vastzetten
- (refl), (België) plaatsnemen, gaan zitten
- (ov) (oude ambacht bij het ontstaan van de boekdrukkunst) letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands setten, uit Oudnederlands settan, ontwikkeld uit Oergermaans *satjan- ‘doen zitten’, causatief van *sitjan- ‘zitten’, waarvoor zie zitten. Evenals Nederduits setten, Duits setzen en Fries sette.
Uitdrukkingen
- aan de deur zetten
- aan de dijk zetten
- aan de kant zetten
- alles op alles zetten
- alles op één kaart zetten
- alles op haren en snaren zetten
- alles op het spel zetten
- de kat bij de melk zetten
Vertalingen
Engelsput, prepare, write
Fransmettre, préparer, écrire
Spaansponer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek