Zetten

/ˈzɛtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) op een bepaalde wijze schikken, geplaatst
    Ze reageerden alsof ik halverwege de wedstrijd een derde doel in het veld had gezet.
  2. ov (ov) (m.b.t. koffie of thee) bereiden, klaarmaken
  3. ov (ov) iets neerschrijven
    Hij zette zijn handtekening onder het document.
  4. ov (ov) vastzetten
  5. refl (refl), (België) plaatsnemen, gaan zitten
  6. ov (ov) (oude ambacht bij het ontstaan van de boekdrukkunst) letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands setten, uit Oudnederlands settan, ontwikkeld uit Oergermaans *satjan- ‘doen zitten’, causatief van *sitjan- ‘zitten’, waarvoor zie zitten. Evenals Nederduits setten, Duits setzen en Fries sette.

Uitdrukkingen

  • aan de deur zetten
  • aan de dijk zetten
  • aan de kant zetten
  • alles op alles zetten
  • alles op één kaart zetten
  • alles op haren en snaren zetten
  • alles op het spel zetten
  • de kat bij de melk zetten

Vertalingen

Engelsput, prepare, write
Fransmettre, préparer, écrire
Spaansponer