zeug
vrouwelijk (de)/zøx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (veeteelt) vrouwelijk varken of everzwijnZijn zeugen zijn in goede conditie als ze werpen, en de varkens worden sterk en krachtig.
- pissebed, kellerassel
- (vulgair) scheldwoord voor een vrouw, waarmee de vrouw met een varken wordt vergeleken
Etymologie
*van Middelnederlands "seughe" / "soog": West-Nederlandse bijvorm van klankwettig sōghe (waaruit nog dial. zoog), met overgang van w > g ontwikkeld uit Oergermaans *sūz (accusatief *suwun), bij Indo-Europees *suH-s (acc. *suH-m̥), cognaat met "Söög", Duits dialect "Suge" en "sûch" ; in de betekenis van ‘vrouwtjesvarken’ aangetroffen vanaf 1240 Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 490.
Vertalingen
Engelssow
Franstruie, coche
DuitsSau, Mutterschwein, Bache
Spaanscerda, puerca, cochina
Italiaansscrofa
Portugeesporca
Russischсвинья
Poolslocha, maciora
Zweedsso, sugga
Deensso
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek