zeug
Wat is de betekenis van zeug?
zeug betekent: (veeteelt) vrouwelijk varken of everzwijn
Betekenis
- (veeteelt) vrouwelijk varken of everzwijn
- pissebed, kellerassel
- (vulgair) scheldwoord voor een vrouw, waarmee de vrouw met een varken wordt vergeleken
Voorbeelden van "zeug" in een zin
- Zijn zeugen zijn in goede conditie als ze werpen, en de varkens worden sterk en krachtig.
Betekenis en uitleg van zeug
Een zeug is een vrouwelijke varken die vaak wordt gehouden voor de voortplanting. Ze zijn bekend om hun moederschap en kunnen meerdere jongen tegelijk baren, wat ze een belangrijke rol in de landbouw maakt.
Het woord 'zeug' wordt vaak gebruikt in de context van veeteelt en landbouw. Je kunt het tegenkomen wanneer er gesproken wordt over het fokken van varkens of het beheren van een boerderij. Het gebruik van dit specifieke woord benadrukt de vrouwelijke rol binnen de soort, in tegenstelling tot de mannelijke beer.
Voorbeelden
- De boer heeft net een nieuwe zeug aangeschaft om zijn fokprogramma te versterken.
- Tijdens de ronde op de boerderij zagen we een zeug met haar schattige biggen spelen.
- Bij de dierenarts kwam een eigenaar met een zeug die niet lekker in haar vel zat.
Woordoorsprong
Het woord 'zeug' komt van het Oudnederlands en is verwant aan het Middelnederlandse woord 'zeugh', wat ook 'varken' betekent.
Veelgestelde vragen over zeug
Wat is de betekenis van zeug?
zeug betekent: (veeteelt) vrouwelijk varken of everzwijn
Hoeveel betekenissen heeft zeug?
zeug heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft zeug?
zeug is een vrouwelijk (de).
Wat zijn synoniemen van zeug?
Synoniemen van zeug zijn: moederzwijn.
Hoe gebruik je zeug in een zin?
Voorbeeld: “Zijn zeugen zijn in goede conditie als ze werpen, en de varkens worden sterk en krachtig.”
Etymologie
*van Middelnederlands "seughe" / "soog": West-Nederlandse bijvorm van klankwettig sōghe (waaruit nog dial. zoog), met overgang van w > g ontwikkeld uit Oergermaans *sūz (accusatief *suwun), bij Indo-Europees *suH-s (acc. *suH-m̥), cognaat met "Söög", Duits dialect "Suge" en "sûch" ; in de betekenis van ‘vrouwtjesvarken’ aangetroffen vanaf 1240 Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 490.