zeurpiet
mannelijk (de)/ˈzørpit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) iemand die veel zaniktWat is Kees toch een zeurpiet!Maar kerel, heb je dan de courant niet gelezen?’ ‘Courant? Maar, wat heb ik dan nòu weer gedaan, dat ik een courant zou moeten lezen!’ ‘Niet één courant, zeurpiet, maar dè courant, de Nijmeegsche Courant, van gis-te-ren’ spelde Boudy bijna.
Etymologie
*, in de betekenis van ‘iemand die zanikt’ aangetroffen vanaf 1903 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek