zeven

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzevə(n)/

Betekenis

telwoord
  1. "7", het getal tussen zes en acht
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen zeven euro en zevenendertig cent.
    Dit zou toch niet mijn laatste nacht op aarde worden? Met zeven andere hikers zou ik de nacht in deze piepkleine ruimte van drie bij drie meter moeten doorbrengen.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave zeven is "42".
zelfstandig naamwoord
  1. het cijfer "7"
    Hij schrijft zo onduidelijk dat ik niet weet of hier een één of een zeven staat.
  2. dat wat in een (rang)ordening met 7 is aangeduid
    Het is weer de zeven die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Ze dacht dat ze niets van het examen had begrepen, maar ze haalde toch een zeven.
  3. groep van 7 eenheden
    De grote zeven zijn natuurlijk blij met dit beleid, maar alle kleinere bedrijven worden juist benadeeld.
werkwoord
  1. ov (ov) de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "seven" / "siffen"; op te vatten als afgeleid van "zeef"

Uitdrukkingen

  • een op de zeven

Vertalingen

Engelsseven, sieve, sift
Franssept
Duitssieben, sieben
Spaanssiete, tamizar
Italiaanssette
Russischсемь
Turksyedi, elemek, elekten geçirmek
Poolssiedem, przesiać
Zweedssju
Deenssyv