ziener
mannelijk (de)/ˈzinər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die visioenen heeft, iemand die zegt in de toekomst te kunnen kijkenWat zich voor het oog van de ziener Johannes openbaart in het beeld van de glazen zee verscheen voor de poëtische blik van Novalis als de stad van Arktur.
Etymologie
*afgeleid van zien
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek