ziener

mannelijk (de)/ˈzinər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die visioenen heeft, iemand die zegt in de toekomst te kunnen kijken
    Wat zich voor het oog van de ziener Johannes openbaart in het beeld van de glazen zee verscheen voor de poëtische blik van Novalis als de stad van Arktur.

Etymologie

*afgeleid van zien