zigzag
mannelijk (de)/ˈzɪxsɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaatHij maakte een heel wat zigzags in zijn afdaling van die steile skipiste.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lijn met scherpe hoeken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1767
Vertalingen
Engelszigzag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek