zit

mannelijk (de)/zɪt/

Wat is de betekenis van zit?

zit betekent: daad die bestaat uit zitten

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. daad die bestaat uit zitten
  2. plaats waar je kunt zitten

Voorbeelden van "zit" in een zin

  • Zo'n vlucht naar de andere kant van de oceaan is een hele zit.
  • Deze hotelkamer had een eenvoudig zitje.

Etymologie

*: "zitten" zonder de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • Daar zit 'em de knoop.daar zitten de moeilijkheden/problemen
  • Dat zit wel snor
  • Die het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best.als je ergens vlak bij bent heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is
  • Een ongeluk zit in een klein hoekje.door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren
  • Er zit bij hem een steekje losdie is niet helemaal goed bij zijn hoofd
  • Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan.niets is perfect
  • Hij zit in de luizen.Hij heeft grote zorgen.
  • Wat in het vat zit, verzuurt niet.iets wat goed is, en goed bewaard wordt, verliest zijn waarde niet ofwel: wat belooft is zal ook worden ingelost