zoeten
/ˈzutə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) zoet makenZoet jij je thee met suiker of honing?
Etymologie
*Afleiding van zoet.
Vertalingen
Engelssugar
Franssucrer
Duitszuckern
Spaansazucarar
Italiaanszuccherare
Poolscukrować, słodzić
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek