zog

onzijdig (het)/zɔx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dat wat een zuigeling zuigt
    Vroeger werd ter versterking van het zog aanbevolen dat vrouwen bier zouden drinken.
  2. de zuiging ontstaan door de beweging van een voorwerp in water of lucht
    Het zog achter zo'n vrachtwagen is niet te onderschatten.
  3. (overdrachtelijk, in het ~ van:) in het vervolg van iets
    In het zog van die affaire werd er veel meer jacht op dit soort misdadigers gemaakt.

Etymologie

* van zuigen

Vertalingen

Engelswake, wake