zomergast

mannelijk (de)/ˈzomərˌɣɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) een diersoort, gewoonlijk een vogel, die de slechts de zomer in een bepaald gebied doorbrengt
    Gierzwaluwen zijn typische zomergasten.
  2. overdrachtelijk een persoon die slechts in de zomer in een bepaald gebied te vinden is
    Er kwam een bus vol Poolse zomergasten naar Didam; het waren kinderen uit Katowice.