zonderling

mannelijk (de)/ˈzɔndərˌlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die los van de samenleving leeft en bevreemding opwekt
    Hij is altijd al een beetje een zonderling geweest, maar nu is het wel heel erg geworden.

Etymologie

{{citeer|boek|jaar=2012|auteur=Robert Harris|titel=Vaderland|isbn=9789023472483|uitgever=Cargo|taal=nl| citaat= Ik begin een troglodiet te worden, dacht March; een grotbewoner, een zonderling; een schender van papieren graven.

Vertalingen

Engelspeculiar, odd, strange
Spaansraro