zonnen
/ˈzɔnə(n)/
Wat is de betekenis van zonnen?
zonnen betekent: (inerg) zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
- (onpr) licht en warm worden door zonnestraling, het schijnen van de zon
- (ov) aan de werking van zonlicht blootstellen
Voorbeelden van "zonnen" in een zin
- Ik zat even te zonnen in het voorjaarszonnetje.
- Midden op het pad lag een reusachtige ratelslang te zonnen, de koningin van de woestijn.
- De ramen open. Het zont; alles is zon in wijdte van zee en lucht.
- Boendermaker, een 'stevig in elkaar gebouwde kleine man, met het als van een zeekapitein bruin gezonde, oolijke kopje' was een weinig gecompliceerd mens.
Etymologie
*: "zon" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelssunbathe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek