zonnen

/ˈzɔnə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
    Ik zat even te zonnen in het voorjaarszonnetje.
    Midden op het pad lag een reusachtige ratelslang te zonnen, de koningin van de woestijn.
  2. onpr (onpr) licht en warm worden door zonnestraling, het schijnen van de zon
    De ramen open. Het zont; alles is zon in wijdte van zee en lucht.
  3. ov (ov) aan de werking van zonlicht blootstellen
    Boendermaker, een 'stevig in elkaar gebouwde kleine man, met het als van een zeekapitein bruin gezonde, oolijke kopje' was een weinig gecompliceerd mens.

Etymologie

*: "zon" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelssunbathe