Zoom

mannelijk/vrouwelijk (de)/zom/

Wat is de betekenis van Zoom?

Zoom betekent: rand aan de buitenkant

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rand aan de buitenkant
  2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk

Voorbeelden van "Zoom" in een zin

  • Warmer water knabbelt aan de winterse zoom van de Herengracht, die haar doet denken aan opengewerkt kant, de voering van een reusachtige wieg.
  • Aan de zoom van het bos is in het donker nog net een weitje te ontwaren, dat de heuvel afloopt tot de volgende bosrand.
  • Ik moet er nog even een zoom in zetten.
  • Dan denkt ze achter zich iemand te horen inademen, en er strijkt iets langs de zoom van haar jurk.
  • Cornelia strijkt met haar hand over de zoom van Marens wijde rok, waarvan de zachte, zwarte wol plezierig aanvoelt.

Etymologie

*[B] van "zoom"

Vertalingen

Engelsborder, brim, brink
Spaansborde, linde, orilla