zoutzak

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vormeloze zak met zout
  2. een futloos persoon zonder wilskracht
    Ze mogen zich wel even vervelen, want uit onderzoek blijkt dat dit goed is voor kinderen. Dus als ze weer eens als zoutzakken ondersteboven op de bank hangen en met een zeurderige stem ïk verveel me"roepen, dan beaam je dat gewoon met een begripvolle tekst als "ja, wat naar toch hè?"En daarna zorg je dat je weg bent.de Telegraaf HESTER ZITVAST 22 jul. 2017
    Ën dan die manieren van die kinderen", gaat hij nog even door. "Zitten ze als een soort zoutzakken op de bank. Met z’n allen zijn we bezig het eten klaar te maken. De één schilt de aardappels, de ander doet de groenten of dekt de tafel. Zij niet hoor. Ze wachten als prinsjes tot de maaltijd klaar is en hebben dan ook nog het lef om als eerste de deksel van de pan te pakken."Ik zie dat hij zich enorm opwindt.de Telegraaf CATHERINE KEYL 05 apr. 2017
    Op de trap kwam hij Ryan tegen die terugkwam van een rondje hardlopen en er een stuk frisser uitzag dan een week eerder toen hij haar als een zoutzak aan had getroffen op Bibi's bank.de Telegraaf BIBI 09 aug. 2014

Uitdrukkingen

  • er bij zitten als een zoutzakzonder energie; futloos

Vertalingen

Engelsslowcoach, dawdler