zucht
mannelijk/vrouwelijk (de)/zʏxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) ziekelijke of overmatige zwelling door opeenhoping van vocht in het menselijk of dierlijk lichaam, waterzucht
- ziekelijke onbedwingbare drang, verslaving, begeerte
- eerste afscheiding van melk in de borsten van een zwangere vrouw
zelfstandig naamwoord
- hoorbare uitademing, meestal als uiting van ongenoegen of vervelinghij slaakte een diepe zucht'Pardon?' 'Ik zei dat alle maten goed zijn,' zei de vrouw met een zucht.'Ik ben in gesprek met iemand van de Guggenheim Foundation, die voor me uitzoekt of er bij hen iets bekend is over Isaac Robles wat enig licht kan werpen op dit schilderij hier ' Lawrie slaakte een diepe zucht.
- tocht, luchtstroomhet is benauwd en er is zelfs geen zuchtje windDe achterkamer werd gedomineerd door een monsterlijk, ondateerbaar hemelbed met vier vergulde zuilen in Egyptische stijl waarop een baldakijn rustte van donkerrood fluweel, met geborduurde sterren van gouddraad. Wie zou in staat zijn te bevroeden hoeveel zuchten en gefluisterde geheimen er onder die sterrenstof waren blijven hangen?
Etymologie
* In de betekenis van ‘ziekte, ziekelijke neiging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- Een zucht van verlichting — Een uiting van grote opluchting als een probleem is opgelost (meestal gecombineerd met slaken)
- In een vloek een zucht — Binnen heel korte tijd
Vertalingen
Engelsaddiction, sigh
Fransdésir, soupir
DuitsBegierde, Sucht, Seufzer
Spaansmanía, suspiro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek