zuipen

/ˈzœypə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. zwaar of gulzig drinken
    Hij zoop als een ketter.
  2. in sterke mate olie of benzine verbruiken
    Die auto zuipt benzine en met deze prijzen is dat geen pretje.

Etymologie

* In de betekenis van ‘(onmatig) drinken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsguzzle
Franspicoler
Duitssaufen
Spaansempinar, chingar