zwaaien

/ˈzwajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
    De kinderen stonden al te zwaaien toen we aankwamen.
    Ik hoorde nog wat geschreeuw van onder in het dal en zwaaide dat alles oké was.
  2. inerg (inerg) heen en weer bewogen worden, slingeren
  3. inerg (inerg) aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
    De man stond te zwaaien om ons aan te geven dat we er niet in mochten rijden.
  4. ov (ov) krachtig heen en weer bewegen

Etymologie

*afgeleid van zwaai

Uitdrukkingen

  • de scepter zwaaiende baas spelen

Vertalingen

Engelswave, wave, swing
Duitsschwingen, fuchteln
Spaanssaludar