zwaaien
/ˈzwajə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) begroeten door met de hand heen en weer te bewegenDe kinderen stonden al te zwaaien toen we aankwamen.Ik hoorde nog wat geschreeuw van onder in het dal en zwaaide dat alles oké was.
- (inerg) heen en weer bewogen worden, slingeren
- (inerg) aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegenDe man stond te zwaaien om ons aan te geven dat we er niet in mochten rijden.
- (ov) krachtig heen en weer bewegen
Etymologie
*afgeleid van zwaai
Uitdrukkingen
- de scepter zwaaien — de baas spelen
Vertalingen
Engelswave, wave, swing
Duitsschwingen, fuchteln
Spaanssaludar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek